Als je me vraagt welk boek elke beeldhouwer, elke kunstenaar en eigenlijk iedereen die met zijn handen en hoofd creëert in zijn kast moet hebben staan, dan is het dit. Het is geen droog 'hoe-maak-ik-een-beeld-stap-voor-stap' boek. Integendeel. Het is een diepe, soms chaotische, maar altijd razend interessante duik in wat er gebeurt voordat de beitel de steen raakt. Het gaat over de psychologie van de werkplek, de waarde van het dwalen en de fysieke handeling van het maken.
Voordat we de diepte in gaan, moet je weten wie deze man is. William Kentridge is een Zuid-Afrikaanse grootmeester die wereldwijd wordt gewaardeerd, niet alleen om zijn werk, maar vooral om zijn unieke proces. Hij tekent, hij maakt animatiefilms, hij regisseert opera’s en hij maakt monumentale houtskooltekeningen. Maar voor ons, mensen van de steen, is zijn visie op vorm en materiaal essentieel.
Kentridge is een denker die doet. Hij gelooft niet in het genie dat stilzit aan een bureau en wacht op een inval. Hij gelooft in het atelier als een actieve ruimte. Voor hem is het atelier een soort verlengstuk van zijn eigen brein, een plek waar de muren meedenken en waar de fysieke beweging van het lopen door de ruimte de motor is van de creativiteit.
| Het atelier als laboratorium van de 'fout' Wat me in dit boek direct naar de keel greep, is hoe Kentridge praat over de waarde van de 'fout'. In mijn lessen aan de Kenauweg roep ik het altijd: wees niet bang om er een gat in te slaan! Kentridge onderbouwt dit op een briljante manier. Hij stelt dat het atelier de enige plek op de wereld is waar de mislukking de allerhoogste waarde heeft. In de buitenwereld moeten we efficiënt zijn, plannen maken en resultaten boeken. In het atelier mogen we dwalen. Kentridge beschrijft hoe hij soms urenlang door zijn atelier loopt, heen en weer, zonder ogenschijnlijk iets te doen. Maar in dat lopen, in die fysieke handeling, ontstaan de verbindingen. Voor ons als beeldhouwers is dit zo herkenbaar. Denk aan die momenten dat je naar je stuk steen staart en het even niet meer weet. Je ruimt wat gereedschap op, je veegt wat stof weg, je zet een bak thee. Kentridge legitimeert die tijd. Hij noemt het de 'incubatietijd'. Hij leert ons dat het maken van een sculptuur niet alleen het weghakken van steen is, maar het toestaan dat het beeld zichzelf aan jou openbaart terwijl jij bezig bent met 'niets'. |
Hoewel hij veel met houtskool en papier werkt, is dit boek voor ons, mensen van de steen, een goudmijn. Waarom? Omdat we vaak veel te diep vastlopen in de techniek. We zijn zo bezig met de 'mandarijnpartjes' of de wiskunde van de drieknoop, dat we vergeten waarom we de vorm eigenlijk maken.
1. De overgave aan de materie
Kentridge beschrijft prachtig hoe elk materiaal een eigen wil heeft. Hij dwingt het materiaal niet, hij luistert ernaar. Dat is precies wat wij doen met onze steenkunde. Je kunt een blok marmer niet dwingen om iets te worden wat de kristalstructuur niet toelaat. Kentridge leert je om die beperking niet als een vijand te zien, maar als de bron van je creativiteit. De weerstand van de steen is je gids.
2. Fysiek denken: kijken met je lijf
In het boek gaat hij diep in op hoe wij kijken. Hij legt uit dat we niet alleen met onze ogen kijken, maar met ons hele lichaam. Als beeldhouwer loop je constant om je bok heen. Je bukt, je strekt je uit, je voelt de vorm. Kentridge noemt dit 'fysiek denken'. Hij laat zien dat je brein anders werkt als je handen bewegen. Dit is precies de reden waarom ik mijn cursisten altijd aanmoedig om te blijven bewegen en de vorm voelend te ontdekken.
3. De kracht van de suggestie
Kentridge werkt veel met fragmenten, met flarden die hij samenvoegt. Voor een beeldhouwer is dit een fascinerende invalshoek. Soms zijn we zo gefocust op die ene 'perfecte torso' uit één stuk, dat we vergeten dat de kracht vaak in de suggestie zit. Kentridge leert je dat een 'niet-af' beeld (de non-finito techniek) soms veel meer vertelt over de essentie van de vorm dan een gladgepolijst object.
Zoals velen van jullie weten heb ik ADHD, en mijn hoofd is een creatieve databank die nooit stilstaat. Soms ervaar ik die constante stroom aan ideeën en de chaos die daarbij hoort als een last. Toen ik Anatomie van het atelier opensloeg, voelde ik een enorme golf van erkenning.
Kentridge beschrijft zijn atelier als een plek waar de chaos geordend mag worden, maar nooit helemaal hoeft te verdwijnen. Hij schrijft over zijn eigen versies van 'chaos schriftjes' en hoe hij daarin verbanden legt tussen dingen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Hij heeft me nu al geleerd dat mijn snelheid van denken, het snel leggen van verbanden en zelfs de af en toe noodzakelijke 'rommel' in het atelier aan de Kenauweg, mijn grootste krachten zijn.
Het raakte me vooral toen hij schreef dat kunst maken een manier is om de wereld te begrijpen, niet door haar te verklaren, maar door haar opnieuw op te bouwen. Dat is wat we doen als we een 'rookworstje' onder een navel hakken. We verklaren de anatomie niet; we bouwen haar opnieuw op in steen om haar werkelijk te kunnen voelen.
Kentridge motiveert je om te stoppen met het alleen maar najagen van het 'perfecte eindresultaat'. Hij laat zien dat het proces — het hakken, het zweten, de twijfel, de stofwolken — het eigenlijke kunstwerk is. Het beeld dat op de zaterdagmiddag op de sokkel staat, is slechts de herinnering aan die tijd in het atelier.
Als je dit boek leest, ga je anders naar je werkplek kijken. Je ziet je beitels niet meer als simpel gereedschap, maar als bondgenoten. Je ziet de reststukjes marmer op de grond niet meer als afval, maar als potentiële nieuwe beginpunten. Het boek nodigt je uit tot een experimentele houding. Het nodigt je uit om te spelen.
Simone en Alex mijmeren weleens over het atelier. Simone haalt dan graag William Kentridge aan, die het atelier omschrijft als een plek waar je je gedachten even lekker kunt 'uitwandelen'. Dat is precies de magie hier. Iedereen zit weliswaar in zijn eigen creatieve bubbel, maar tegelijkertijd voel je een gezamenlijke energie van ontdekking hangen. Het is eigenlijk een soort anatomie van de ruimte zelf; een plek waar het hoofd even tot rust komt terwijl de handen het werk doen.
Ik wil je echt aanmoedigen om dit boek op te zoeken. Leg het in je atelier, niet in je nette boekenkast. Lees af en toe een pagina voordat je aan je steen begint. Laat de woorden van Kentridge je inspireren om de controle een klein beetje los te laten.
Dit boek helpt je om een betere beeldhouwer te worden, niet omdat het je een nieuwe haktechniek leert, maar omdat het je een houding leert. Een houding van nieuwsgierigheid, van eerlijkheid naar het materiaal toe en van de moed om de leegte onder ogen te zien.
William Kentridge heeft met Anatomie van het atelier een ode geschreven aan iedereen die durft te maken. Het is een hart onder de riem voor de dagen dat de steen even niet wil, en een feest van herkenning voor de dagen dat alles stroomt. Het heeft mijn visie op mijn atelier nu al verrijkt. Ik zie het nu nog meer als een levend organisme waar elke splinter en elke tekening op de muur bijdraagt aan het grotere verhaal.
Ga het lezen. Ga het ervaren. En kom daarna naar het atelier om je eigen anatomie van de ruimte te ontdekken. De stenen wachten, en dankzij Kentridge weten we nu dat zelfs onze twijfel een vorm van meesterschap is
RSS-feed