Kunstenaars als Ben Nicholson en Ad Dekkers, met hun reliëfs en wandobjecten, bieden niet alleen lessen in vorm en compositie, maar dagen ons ook uit om dieper na te denken over de fundamentele aard van het kunstwerk als fysiek object en zijn intrinsieke relatie met de omgeving.
Bij beeldhouwatelier Simone van Olst in Leiden, waar Alex Sluimer en ik, Simone van Olst, de kunst van het steenbeeldhouwen onderwijzen en beoefenen, benadrukken we voortdurend hoe dit bewustzijn van het sculpturale object – zijn aanwezigheid, zijn interactie met ruimte, en zelfs de ruimte binnenin – cruciaal is voor het creëren van werk dat werkelijk een statement maakt. Deze blog duikt in de concepten van "objectheid", de boeiende transformatie van de principes van een wandreliëf naar een volledig vrijstaand beeld, en de eloquente rol van negatieve ruimte als een actief, vormgevend materiaal.
De reliëfs en constructies van modernistische pioniers overstijgen de notie van het schilderij als louter een "venster op een andere wereld". Ze zijn onmiskenbaar objecten op zichzelf, met een tastbare diepte, een fysiek gewicht, en een vermogen om echte schaduwen te werpen op de muur waaraan ze zijn bevestigd en in de ruimte die ze met de beschouwer delen. Deze "objectheid" is een inherent sculpturaal kenmerk. Ze zijn geen pure illusies; ze zijn driedimensionale entiteiten, hoe subtiel hun diepte soms ook mag zijn. Dit besef is van onschatbare waarde voor de steenbeeldhouwer.
Steen, met zijn onmiskenbare massa en fysieke aanwezigheid, is per definitie een object. Maar hoe kan de studie van de meer ingetogen objectheid van een Nicholson-reliëf ons begrip van onze eigen, vaak veel zwaardere en massievere, stenen creaties verfijnen? Ten eerste leidt het tot een dieper nadenken over de presentatie van het werk. Een reliëf is onlosmakelijk verbonden met zijn achtergrond, de muur. Hoe vertaalt dit zich naar een vrijstaand beeld? Hoe "ontmoet" onze sculptuur de grond? Heeft het een sokkel nodig, en zo ja, hoe wordt die sokkel dan onderdeel van het totale object, in plaats van een willekeurige ondersteuning? Of moet het werk juist direct interageren met de vloer, de aarde, de architectuur? De manier waarop een reliëf de muur activeert, kan ons inspireren om na te denken over hoe onze sculpturen hun ruimtelijke context beïnvloeden en erdoor beïnvloed worden, of dat nu een intieme galerieruimte is, een openbaar plein, of een verstilde tuin.
De materiële aanwezigheid van steen, zijn textuur, zijn temperatuur, zijn gewicht, wordt nog pregnanter wanneer we ons, geïnspireerd door de weloverwogen object-kwaliteiten van een Dekkers-constructie, bewust worden van elke keuze die bijdraagt aan de uiteindelijke fysieke en perceptuele ervaring van ons werk. Bij beeldhouwatelier Simone van Olst moedigen we onze studenten aan om deze overwegingen vanaf de eerste conceptuele schetsen mee te nemen, omdat de uiteindelijke impact van een sculptuur veel verder reikt dan de bewerkte steen alleen.
Een van de meest stimulerende intellectuele en creatieve oefeningen voor een beeldhouwer is de transformatie van reliëf naar vrijstaand beeld. Stel je een kenmerkend reliëf van Ben Nicholson voor: zijn zorgvuldig uitgebalanceerde, elkaar overlappende geometrische vlakken, de subtiele kleurverschillen, de ingesneden lijnen die diepte suggereren en de compositie structureren. Wat gebeurt er als we proberen de essentie van zo'n werk te "bevrijden" van de muur en het een alzijdig bestaan te geven? Welke principes blijven overeind, en welke moeten noodzakelijkerwijs transformeren?
De delicate balans van de compositie, de relatie tussen specifieke vormen, de ritmiek van lijnen – deze kunnen vaak als kernideeën behouden blijven. Maar de overgang naar volledige driedimensionaliteit stelt nieuwe eisen. Een sculptuur moet idealiter vanuit alle 360 graden boeien; er is geen "achterkant" meer die tegen een muur verborgen blijft. Hoe ontvouw je de gelaagde, maar relatief ondiepe, ruimte van een reliëf tot een volume dat in alle richtingen overtuigt? Wordt het een serie van elkaar doorsnijdende, transparante vlakken, geïnspireerd door de gelaagdheid van het origineel? Of kristalliseert het zich tot een meer massieve, gesloten vorm, waarvan de verschillende facetten de geometrische taal van het reliëf spreken?
De kwestie van fysieke balans en structurele integriteit wordt plotseling veel urgenter. Vormen die in een reliëf veilig ondersteund werden door de achterplaat, moeten nu hun eigen stabiliteit vinden. Deze transitie is geen kwestie van letterlijk kopiëren of mechanisch "uitrekken", maar van een diepgaande herinterpretatie. Het is het distilleren van de geest van het reliëf en die opnieuw incarneren in een nieuwe, autonome ruimtelijke entiteit. Dit proces kan leiden tot verrassende en innovatieve sculpturale oplossingen, waarbij de "beperkingen" van het oorspronkelijke reliëf juist de katalysator worden voor creatieve doorbraken.
Een derde, cruciaal aspect dat we kunnen leren van de meesters van het reliëf, is hun verfijnde omgang met negatieve ruimte als een actief, vormgevend materiaal. In een reliëf van Nicholson of een constructie van Dekkers zijn de ruimtes tussen de uitstekende elementen, de diepte van een zorgvuldig ingesneden lijn, of een subtiel terugwijkend vlak, geen lege, passieve vides. Integendeel, deze "leegtes" hebben hun eigen vorm, hun eigen (ondiepe) volume, en spelen een cruciale rol in de totale compositie en de perceptie van diepte en structuur. Ze definiëren de randen van de positieve vormen, creëren ritme en spanning, en leiden het oog van de beschouwer. Dit inzicht is van onschatbare waarde voor de steenbeeldhouwer die in volplastiek werkt.
Negatieve ruimte is voor ons niet alleen de lucht die onze sculptuur omringt en zijn silhouet aftekent tegen de achtergrond; het is ook de ruimte binnenin het werk, gecreëerd door perforaties, openingen, of de weloverwogen afstand tussen verschillende componenten van een samengesteld beeld. Deze "lege" ruimtes zijn even belangrijk, even sculpturaal, als de massieve steen zelf. Ze bezitten hun eigen vormen, kanaliseren het licht op onverwachte manieren, creëren doorkijkjes die nieuwe perspectieven onthullen, en dragen essentieel bij aan de balans, het ritme en de dynamiek van het kunstwerk.
Kunstenaars als Barbara Hepworth en Henry Moore zijn beroemd geworden door hun meesterlijke gebruik van doorboorde vormen, waarbij de holte een integraal en expressief onderdeel van de sculptuur werd. Maar de lessen van Nicholson en Dekkers kunnen ons een nog genuanceerder begrip bijbrengen van hoe zelfs de kleinste, subtielste uitsparing, of de zorgvuldige articulatie van de ruimte tussen twee volumes, de negatieve ruimte kan activeren en tot een krachtig compositie-element kan maken. De uitdaging voor de steenbeeldhouwer is dan ook om, geïnspireerd door de geraffineerde wisselwerking tussen vorm en leegte in deze reliëfs, te leren om "de lucht te beeldhouwen" met dezelfde intentie en precisie als waarmee hij de steen bewerkt.
De studie van 3D-schilderijen en reliëfs biedt de steenbeeldhouwer dus veel meer dan alleen formele inspiratie. Het scherpt ons bewustzijn van het kunstwerk als een fysiek object dat een actieve relatie aangaat met zijn omgeving – een "objectheid" die de kern vormt van alle sculptuur. Het daagt ons uit tot creatieve transformaties, zoals het herinterpreteren van de principes van een wandobject in de context van een volledig vrijstaand, alzijdig beeld. En het verfijnt ons begrip van negatieve ruimte, niet als een leegte, maar als een essentieel, vormgevend materiaal.



RSS-feed