De tentoonstelling Zingend rood brengt de absolute topstukken samen van James Ensor, Rik Wouters en Jules Schmalzigaug. Voor een maker die haar dagen doorbrengt met het doorgronden van translucente, ingetogen materialen zoals albast, is een confrontatie met puur, onversneden rood pigment een behoorlijke esthetische schok. Rood eist direct alle aandacht op. Het is luid, het is dwingend en het duldt geen concurrentie. En toch zat ik met mijn neurodivergent brein meteen op het puntje van mijn stoel, want deze tentoonstelling bleek een spetterende, zintuiglijke symfonie die me dwong om na te denken over de diepste wetten van ritme, beweging en emotie in de kunst.
| Als beeldhouwer vermijd ik rood niet uit angst, maar vanuit een bewuste artistieke keuze. In de driedimensionale kunst, zeker wanneer je werkt in natuursteen, zoek je naar ruimtelijke spanning door de werking van licht en schaduw op de massa. Translucente stenen laten het licht diep in de vorm dringen, waardoor er een subtiele, innerlijke dynamiek ontstaat. Rood daarentegen absorbeert de blik onmiddellijk aan de oppervlakte. Het is een kleur die de diepte als het ware dichtslaat en de vorm naar voren duwt. Het KMSKA heeft met deze presentatie echter een modernistische vraag blootgelegd die de grenzen van de afzonderlijke disciplines volledig overstijgt: wat gebeurt er wanneer beeldende kunst zich niet langer beperkt tot het oog, maar probeert om de zintuigen te laten samensmelten? De schilders in deze tentoonstelling probeerden het zachte, atmosferische palet van het impressionisme open te breken. Ze zagen een ongekend potentieel in volle, ongeremde pigmenten. Hun kleuren sussen niet, ze schreeuwen, lachen, zoemen en zingen. En hoewel ik met een beitel in mijn hand een heel andere taal spreek, is de onderliggende zoektocht naar een pure, rauwe expressie exact dezelfde als die we elke dag in ons atelier nastreven. |
De tentoonstelling draait om drie absolute boegbeelden van het Belgische modernisme die elk op een volstrekt unieke manier de kracht van kleur hebben geherdefinieerd. Om hun impact te begrijpen, moet je in de diepte van hun levens en hun artistieke noodzaak duiken. James Ensor is de oudste van het drietal. Hij bracht het grootste deel van zijn leven door in het mistige, melancholische Oostende, boven de souvenirwinkel van zijn moeder die vol lag met carnavalsmaskers, schelpen en bizarre rariteiten. Die groteske omgeving vormde zijn unieke, satirische wereldbeeld. Ensor ontdekte dat kleur een autonome kracht kon zijn om de hypocrisie van de burgerlijke maatschappij te ontmaskeren. In zijn schilderijen zijn de pigmenten geen passieve weergave van de werkelijkheid, het zijn onwaarschijnlijke, schurende akkoorden. Zijn rood tintelt, botst met snerpend geel en vuil groen, en versterkt het gevoel van theatrale ontregeling. Ensor silderde niet om te behagen, hij gebruikte zijn palet als een vlijmscherp mes.
Tegenover de theatrale onrust van Ensor staat het intense, tragisch korte leven van Rik Wouters. Wouters is een kunstenaar die je in de Nederlandse musea helaas veel te weinig ziet, en alleen al om zijn werk was ik ontzettend gretig om deze expo te bezoeken. Hij was zowel een begenadigd beeldhouwer als schilder, en die ruimtelijke achtergrond spat van zijn doeken af. Zijn absolute bron van inspiratie en zijn levenslange muze was zijn vrouw Nel. Wouters schilderde hun intieme, huiselijke interieurs met een adembenemende, losse toets waar ik enorm blij van kan worden. Er zit een spetterende energie in zijn penseelstreek. Hij smeerde de verf niet braaf uit, maar plaatste dynamische, felrode toetsen op het doek die de kijkrichting van de toeschouwer dwingend dirigeren. Wouters liet zich inspireren door de oude Antwerpse meester Henri De Braekeleer en schreef ooit lyrisch over de kleine vermiljoenen dingetjes die over de stoffen en voorwerpen kropen in diens werk. Die rode accenten vloeien bij Wouters over het canvas als een hartslag. Zijn interieurs ademen licht, warmte en een vibrerende levendigheid. Het canvas is vaak deels onbedekt gelaten, waardoor het schilderij letterlijk lijkt te ademen.
De derde colorist in deze eregalerij is Jules Schmalzigaug, een naam die lang onder de radar is gebleven maar die een absolute pionier was. Schmalzigaug was de allereerste Belgische kunstenaar die de stap naar de volledige abstractie durfde te zetten, en curator Adriaan Gonnissen plaatst hem volkomen terecht op hetzelfde niveau als grootheden zoals Wassily Kandinsky. Schmalzigaug reisde naar Italië en raakte daar diep onder de indruk van het Italiaanse futurisme. De futuristen wilden afrekenen met de verstilde, delicate nuances van het verleden en wilden de snelheid, de elektriciteit en het lawaai van de moderne grootstad vangen. Daarvoor waren felle, roepende kleuren nodig: het roodste rood, vol en gesatureerd. Schmalzigaug schreef in 1914 een legendarische brief waarin hij terugblikte op het KMSKA en de mantel van koning Melchior op het schilderij De aanbidding door de koningen van Peter Paul Rubens prees. Hij stelde dat geen enkel impressionistisch schilderij zo'n zingend rood bezat als dat werk van Rubens. Die opmerking werd de katalysator voor deze hele tentoonstelling. Schmalzigaug zocht naar een optische polyfonie. Hij liet objecten volledig oplossen in golvende, abstracte arabesken van pure kleur, waardoor zijn schilderijen veranderen in een visueel equivalent van pure snelheid en geluid.
Hoewel de grote drie de spil van de tentoonstelling vormen, werd ik halverwege de route plotseling stilgezet door een kunstwerk van een maker die iets later in de tijd geplaatst moet worden. Ik stond oog in oog met het schilderij Landschap uit 1962 van de Vlaamse kunstenaar Louis van Lint. Het was een moment van totale overgave. Mijn blik werd het doek in gezogen en ik voelde een diepe, fysieke resonantie. Het kaartje bij het kunstwerk verwoordde mijn eigen sensatie op een fabelachtige manier: “Alsof de wind kleuren blaast. Fluitend en ademend. Zo voelt dit abstracte landschap van schilder Louis van Lint. Als een symfonie van rood en zwart. Het is een mooi voorbeeld van een abstracte kunstenaar die een warm weerzien met de natuur beleeft. Die het kijken verbindt met gevoel. Kleur met emotie.”
Dit schilderij laat perfect zien hoe de zoektocht van Ensor, Wouters en Schmalzigaug decennia later tot een absolute volwassenheid kwam in de naoorlogse abstractie. Louis van Lint, die leefde van 1911 tot 1986, is een van de belangrijkste grondleggers van de lyrische abstractie in België. Hij begon zijn carrière in de jaren dertig met een meer figuratieve, ingetogen stijl die destijds het animisme werd genoemd. Maar na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog voelde Van Lint, net als veel van zijn tijdgenoten in de CoBrA-beweging, dat de oude vormen niet meer voldeden. De wereld was veranderd en de kunst moest radicaler, urgenter en puurder worden. Hij richtte mede de vernieuwende groepering La Jeune Peinture Belge op en begon de zichtbare werkelijkheid systematisch af te breken om door te stoten naar de essentie van de natuurkrachten.
| Wat mij zo intens raakt in dit specifieke doek uit 1962, is dat Van Lint de natuur niet probeert te kopiëren, maar haar innerlijke dynamiek tastbaar maakt. Het is een warm weerzien met de elementen. Je kijkt niet naar een statisch plaatje van een boom of een heuvel, je kijkt naar de energie van de wind zelf. Het zwarte pigment staat er niet als een passieve schaduw, het snijdt als een ritmische structuur door de zinderende vlakken van rood. Het doek pulseert. Het fluit en ademt. Als natuurmens, iemand die bijna elke zondag te vinden is in onze volkstuin om te midden van de principes van de permacultuur te wroeten in de aarde, begreep ik dit schilderij onmiddellijk vanuit mijn core. Van Lint verbindt het kijken rechtstreeks met het pure gevoel. Hij gebruikt kleur niet als een decoratief element, maar als pure emotie. De spanning tussen de dichte, donkere massa's zwart en de explosieve, zingende banen rood bezit exact dezelfde wetmatigheden als de ruimtelijke spanning die wij in het atelier proberen te hakken in een blok steen. Het gaat om richting, om compressie en om de moed om de materie te laten bewegen. |
De absolute ontlading van al deze intense kleurexplosies bevindt zich in de afgesloten ruimte helemaal aan het einde van de expositie. En daar gebeurt iets magisch met je waarneming. Je stapt vanuit de historische, dieprode en groene zalen ineens een volstrekt witte kamer binnen. In het midden van die verstilde ruimte hangt een carrousel met reflecterende doeken die allemaal afzonderlijk van elkaar ronddraaien. Er speelt een voortdurende projectie op en langs deze bewegende elementen, waardoor er continu organische, vervormde reflecties over de strakke witte wanden kruipen. Het is een spetterend, ongrijpbaar spektakel van licht.
Als beeldhouwer keek ik daar mijn ogen uit en stond ik meteen aan. Wat daar gebeurt, is in feite onze eigen spiegelmethode, maar dan vloeibaar gemaakt en in een constante stroomversnelling gezet. Je ziet hoe een platte projectie door de rotatie en de hoek van de draaiende doeken volledig wordt opengebroken en getransformeerd in een kinetische sculptuur van licht en schaduw. Niets blijft hetzelfde.
Voor mij was dit een fascinerend schouwspel om te ontleden. Het laat in één oogopslag zien dat vorm, kleur en ruimte nooit statisch zijn. Ze veranderen met elke millimeter dat het perspectief kantelt. De installatie blaast de energie van het rood en zwart als een wervelwind de witte kamer in, rechtstreeks op de huid van de toeschouwer. Het was de ultieme, zintuiglijke bevestiging van wat de hele tentoonstelling probeert te vertellen: kunst is geen passief object aan een muur, het is een levende gebeurtenis die je moet overrompelen, desoriënteren en dwingen om opnieuw te leren kijken.
Als kunstenaar ben je bij voorbaat een wezen dat altijd in ontwikkeling is. Je bent nooit uitgeleerd, nooit klaar met introspectie en reflectie. Er is geen magisch moment waarop je de beitel kunt neerleggen met de gedachte dat je het kunstenaarschap nu volledig beheerst. Elke nieuwe tentoonstelling die je bezoekt, elk schilderij dat je raakt en elke worsteling die je observeert, is brandstof voor je eigen praktijk. Het bekijken van een medium dat zo ver afstaat van mijn dagelijkse werk met steen, dwingt me om scherp te blijven. Het daagt mijn neurodivergent brein uit om de wetten van de schilderkunst te vertalen naar de wetten van de massa en de leegte.
Het bezoeken van een tentoonstelling die zo voluit over emotie en kleur gaat, confronteert je met je eigen artistieke valkuilen. De grootste valkuil voor de gevorderde beeldhouwer is de tirannie van de routine, het comfort van de aangeleerde controle. Je weet hoe je de vuist moet voeren, je weet hoe de beitel moet vallen en hoe je een oppervlak glanzend moet polijsten. Het is heel verleidelijk om in die technische geborgenheid te blijven hangen. Maar als je de les van Louis van Lint of Rik Wouters serieus neemt, snap je dat techniek zonder emotie volkomen betekenisloos is. Een vorm moet ademen, hij moet fluiten en trillen, alsof de wind er doorheen blaast. Als de ruimtelijke spanning ontbreekt, lost een perfect afgewerkte buitenkant helemaal niks op.
| In ons atelier komen we onszelf elke dag tegen. Het kunstenaarschap kent goede en minder goede momenten. Er zijn dagen dat de scherven in de perfecte cadans van de beitel in het rond vliegen, dat je neurodivergente brein moeiteloos de juiste verbanden legt en dat de vorm zich als vanzelf uit de steen openbaart. Maar er zijn ook dagen van diepe frustratie, dagen dat de steen onvoorspelbaar scheurt, dat je arm moe is en dat de angst om het materiaal te verpesten je verlamt. Juist op die momenten helpt het om terug te denken aan de losse toets van Rik Wouters of aan de abstractie van Van Lint. Je moet de kramp loslaten. Je moet stoppen met hameren alsof je een timmerman bent, je gereedschap neerleggen en de pauze omarmen. Neem afstand, loop een rondje door het atelier en gebruik de spiegelmethode om met de blik van een buitenstaander naar je werk te kijken. Durf te vertrouwen op je intuïtie en heb de moed om de rauwe sporen van het gevecht in de steenhuid te laten staan. De inspiratie van deze Antwerpse reis nemen Alex en ik rechtstreeks mee naar de vloer van de werkplaats. Achter de schermen zijn we op dit moment ontzettend druk bezig met de programmering van de komende herfst- en winteracademies. Die komen binnenkort online en ik kan je verzekeren dat de intensiteit van deze tentoonstellingen de motor gaat worden achter die intensieve najaars- en wintertrajecten. Als buiten de najaarsstormen over de Kenauweg jagen en de dagen korter worden, creëren we binnen een warme, bruisende en hyper-gefocuste proeftuin. We gaan de focus volledig leggen op die innerlijke monumentaliteit en op de reflectie die je werk naar een autonoom niveau tilt. We laten de vijl definitief liggen omdat we raspen, en we gaan op zoek naar de emotie achter de vorm. Zorg dat je klaarstaat om je in te schrijven zodra de data live gaan, want de plekken voor deze winterse sessies zijn traditiegetrouw razendsnel bezet. |
RSS-feed